hoofd-gilde.jpg

Spreekwoorden met klokken, klepels, enz.
 

Het zal op uw toren luien: je zult ervan langs krijgen.
De klok luiden maar niet schaften: iets wel beloven, maar niet doen.
De grote klok luiden: op luidruchtige wijze bekendheid aan een zaak geven.
Iets aan de grote klok hangen: iets algemeen ruchtbaar maken.
Iets aan de klokkenreep hangen: idem.
Iets aan de klokkenzeel hangen: idem.
De klokken gaan naar Rome: wordt gezegd als de klokken in de Stille Week niet geluid worden.
Als de klokken van Rome slaan, blijft je gezicht zo staan: wordt gezegd tegen kinderen die een lelijk gezicht trekken.
De klok luiden: (in bevindelijke kringen) een psalmvers zingen.
Iets aan de grote klok hangen: het overal rondbazuinen, het aan iedereen bekendmaken.
Men kan niet in processie gaan en de klok luiden: men kan geen twee dingen tegelijk doen.
Hij heeft de klok horen luiden, maar weet niet waar de klepel hangt: hij weet het fijne van de zaak niet.
Van klok noch klepel weten: geen erg in de tijd hebben, niet weten hoe laat het is; figuurlijk, van iets totaal geen verstand hebben.
Klinken als een klok: luid, ver in het rond; het is duidelijk, niets op aan te merken.
Een stem als een klok: een ver dragende, zware stem.
Een grote klok opzetten: uit alle macht schreeuwen.
Hij heeft een goede klepel: zie boven.
Op de klok kijken: ergens het oog op richten.
De klok terugzetten: terugkeren tot een vroeger tijdperk.
Hij is een man van de klok: hij is altijd precies op tijd.
Tegen de klok werken: zo hard mogelijk werken om nog op tijd klaar te zijn.
De klok rond: 12 uur achtereen.
Weten wat de klok slaat: weten waarover gesproken wordt.
Het is alles wat de klok slaat: alles wat men hoort of ziet; alleen maar dat, waarover gesproken wordt.
Alles op de klok laten gaan: precies op tijd, alles is stipt in orde.
Dat gaat erin als klokspijs: wordt met gretigheid gegeten (klokspijs is metaal voor het klokkengieten).
Dat is klokspijs voor hem: dat valt hem zeer gemakkelijk.
Iets bij klokslag bekend maken: oproeping van het rechtsgebied van stad of dorp.
Klokslag 4 uur: 4 uur precies.
Zijn klepel staat nooit stil: hij ratelt er lustig op los.
Men kent de klok aan heuren galm (Vlaams): de woorden die men spreekt, doen het hart kennen.
Kwade klok, kwade klepel, kwade pot, kwade lepel: als ouders niet deugen, dan zijn de kinderen ook slecht.
Die maar één klok hoort, hoort maar één toon: luister naar beide partijen.
Er luidt nooit een klok, of er is een klepel: waar ieder over spreekt, daar is wel iets van waar.
Als de klok luidt, zit er een engel in de toren: (schertsend gezegde) dat is het teken dat de arbeid ten einde is.